Feiten over licht

Over licht – of dat nu studiolicht of een ander soort licht is – kun je een aantal dingen met zekerheid zeggen. Die feiten vinden hun oorsprong in de natuurkunde of zijn simpelweg vaste waarden. Ik geef je 3 feiten over licht die je (hopelijk) nooit meer vergeet, want ze zijn zo verdomd handig bij het fotograferen.

 1. Hoe kleiner het lichtoppervlak, hoe harder het licht

Het perfecte voorbeeld voor dit feit is de zon. In werkelijkheid is die koperen bol natuurlijk immens groot. Maar voor ons op planeet Aarde is hij relatief klein. Zeer klein zelfs. Als de zon volop schijnt dan is het licht hard, met harde schaduwen als gevolg.
Omgekeerd kun je ook zeggen dat het licht zachter wordt naarmate het lichtoppervlak groter wordt. Een voorbeeld hiervan is een softbox, die zijn gemaakt om zacht licht te produceren. Door de box om de lamp heen, wordt het oppervlak een stuk groter.

2. Licht aan de rand van een lichtbron is zachter

Pak er maar eens een zaklamp bij of richt een studiolamp op een zwarte achtergrond. In het midden, de hotspot genoemd, is het licht het sterkst of meest fel. Verder naar de rand toe, zie je het licht minder fel worden. Wil je dus relatief zacht licht? Richt een spot dan niet direct op je onderwerp, maar draai hem een beetje weg waardoor je gebruik maakt van het zogenaamde ‘spill light’ (lichtverspilling of lichtafval).

3. Licht komt van boven

Het is is voor ons mensen logisch dat licht van boven komt. De zon staat immers hoog aan de hemel en dat zijn onze ogen maar vooral onze hersenen gewend. Als je een studioflitser gebruikt, dan zet je deze schuin boven het model in een hoek van ongeveer 45 graden (naar beneden gericht). Werk je buiten met een flitser? Zet deze dan in lijn met de zon, zodat je als het ware de zon reproduceert.